Словарь
Изучите глаголы – хинди

tonen
Ik kan een visum in mijn paspoort tonen.
tonen
Ik kan een visum in mijn paspoort tonen.
показать
Я могу показать визу в своем паспорте.

ritselen
De bladeren ritselen onder mijn voeten.
ritselen
De bladeren ritselen onder mijn voeten.
шелестеть
Листья шелестят под моими ногами.

slapen
De baby slaapt.
slapen
De baby slaapt.
спать
Ребенок спит.

verbazen
Ze was verbaasd toen ze het nieuws ontving.
verbazen
Ze was verbaasd toen ze het nieuws ontving.
поражаться
Она поразилась, получив новости.

wegrijden
Toen het licht veranderde, reden de auto’s weg.
wegrijden
Toen het licht veranderde, reden de auto’s weg.
тронуться
Когда загорелся свет, машины тронулись.

trainen
De hond wordt door haar getraind.
trainen
De hond wordt door haar getraind.
тренировать
Собака ею обучается.

overlaten
De eigenaren laten hun honden aan mij over voor een wandeling.
overlaten
De eigenaren laten hun honden aan mij over voor een wandeling.
оставлять
Хозяева оставляют своих собак мне на прогулку.

bevelen
Hij beveelt zijn hond.
bevelen
Hij beveelt zijn hond.
приказывать
Он приказывает своей собаке.

parkeren
De auto’s staan in de ondergrondse garage geparkeerd.
parkeren
De auto’s staan in de ondergrondse garage geparkeerd.
парковаться
Автомобили припаркованы на подземной стоянке.

moeten
Hij moet hier uitstappen.
moeten
Hij moet hier uitstappen.
должен
Он должен выйти здесь.

meerijden
Mag ik met je meerijden?
meerijden
Mag ik met je meerijden?
поехать с кем-то
Могу я поехать с вами?
