Woordeskat
Leer Werkwoorde – Letties

werken
Ze werkt beter dan een man.
trabajar
Ella trabaja mejor que un hombre.

liggen
Ze waren moe en gingen liggen.
acostarse
Estaban cansados y se acostaron.

schoonmaken
Ze maakt de keuken schoon.
limpiar
Ella limpia la cocina.

overspringen
De atleet moet over het obstakel springen.
saltar
El atleta debe saltar el obstáculo.

luisteren
Ze luistert en hoort een geluid.
escuchar
Ella escucha y oye un sonido.

besmet raken
Ze raakte besmet met een virus.
infectarse
Ella se infectó con un virus.

sturen
Ik stuur je een brief.
enviar
Te estoy enviando una carta.

sturen
Ik heb je een bericht gestuurd.
enviar
Te envié un mensaje.

bedekken
De waterlelies bedekken het water.
cubrir
Los nenúfares cubren el agua.

snijden
Voor de salade moet je de komkommer snijden.
cortar
Para la ensalada, tienes que cortar el pepino.

creëren
Hij heeft een model voor het huis gecreëerd.
crear
Ha creado un modelo para la casa.
