শব্দভাণ্ডার
ক্রিয়াপদ শিখুন – সুইডিশ

hate
The two boys hate each other.
haten
De twee jongens haten elkaar.

pick
She picked an apple.
plukken
Ze plukte een appel.

accept
I can’t change that, I have to accept it.
accepteren
Ik kan dat niet veranderen, ik moet het accepteren.

tell
She tells her a secret.
vertellen
Ze vertelt haar een geheim.

decide
She can’t decide which shoes to wear.
beslissen
Ze kan niet beslissen welke schoenen ze moet dragen.

happen
Something bad has happened.
gebeuren
Er is iets ergs gebeurd.

think
You have to think a lot in chess.
denken
Je moet veel denken bij schaken.

clean
She cleans the kitchen.
schoonmaken
Ze maakt de keuken schoon.

step on
I can’t step on the ground with this foot.
stappen op
Ik kan met deze voet niet op de grond stappen.

expect
My sister is expecting a child.
verwachten
Mijn zus verwacht een kind.

imagine
She imagines something new every day.
voorstellen
Ze stelt zich elke dag iets nieuws voor.
