শব্দভাণ্ডার
ক্রিয়াপদ শিখুন – তিগরিনিয়া

aankomen
Het vliegtuig is op tijd aangekomen.
aankomen
Het vliegtuig is op tijd aangekomen.
saabuma
Lennuk on õigeaegselt saabunud.

geven
De vader wil zijn zoon wat extra geld geven.
geven
De vader wil zijn zoon wat extra geld geven.
andma
Isa tahab oma pojale lisaraha anda.

wachten
We moeten nog een maand wachten.
wachten
We moeten nog een maand wachten.
ootama
Me peame veel kuu aega ootama.

liegen
Hij liegt vaak als hij iets wil verkopen.
liegen
Hij liegt vaak als hij iets wil verkopen.
valetama
Ta valetab sageli, kui ta tahab midagi müüa.

achterlaten
Ze hebben hun kind per ongeluk op het station achtergelaten.
achterlaten
Ze hebben hun kind per ongeluk op het station achtergelaten.
maha jätma
Nad jätsid kogemata oma lapse jaama maha.

wandelen
De familie gaat op zondag wandelen.
wandelen
De familie gaat op zondag wandelen.
jalutama minema
Perekond läheb pühapäeviti jalutama.

luisteren
Ze luistert en hoort een geluid.
luisteren
Ze luistert en hoort een geluid.
kuulama
Ta kuulab ja kuuleb heli.

naar beneden kijken
Ik kon vanuit het raam naar het strand beneden kijken.
naar beneden kijken
Ik kon vanuit het raam naar het strand beneden kijken.
alla vaatama
Aknast sain ma rannale alla vaadata.

dichterbij komen
De slakken komen dichter bij elkaar.
dichterbij komen
De slakken komen dichter bij elkaar.
lähemale tulema
Teod tulevad üksteisele lähemale.

teruggeven
De leraar geeft de essays terug aan de studenten.
teruggeven
De leraar geeft de essays terug aan de studenten.
tagastama
Õpetaja tagastab õpilastele esseesid.

bedekken
Het kind bedekt zichzelf.
bedekken
Het kind bedekt zichzelf.
katma
Laps katab ennast.
