Slovník
Naučte se slovesa – holandština

beheren
Wie beheert het geld in jouw gezin?
manage
Who manages the money in your family?

knippen
De kapper knipt haar haar.
cut
The hairstylist cuts her hair.

teruggaan
Hij kan niet alleen teruggaan.
go back
He can’t go back alone.

begrijpen
Men kan niet alles over computers begrijpen.
understand
One cannot understand everything about computers.

verlaten
Toeristen verlaten het strand rond de middag.
leave
Tourists leave the beach at noon.

arriveren
De taxi’s zijn bij de halte gearriveerd.
pull up
The taxis have pulled up at the stop.

eisen
Hij eiste compensatie van de persoon waarmee hij een ongeluk had.
demand
He demanded compensation from the person he had an accident with.

verliezen
Wacht, je hebt je portemonnee verloren!
lose
Wait, you’ve lost your wallet!

vertrekken
De trein vertrekt.
depart
The train departs.

beginnen
De soldaten beginnen.
start
The soldiers are starting.

uitspreiden
Hij spreidt zijn armen wijd uit.
spread out
He spreads his arms wide.
