Ordliste

Lær verber – Nederlandsk

cms/verbs-webp/127620690.webp
belasten
Bedrijven worden op verschillende manieren belast.
beskatte
Virksomheder beskattes på forskellige måder.
cms/verbs-webp/105875674.webp
schoppen
In vechtsporten moet je goed kunnen schoppen.
sparke
I kampsport skal man kunne sparke godt.
cms/verbs-webp/78309507.webp
uitknippen
De vormen moeten worden uitgeknipt.
klippe ud
Figurerne skal klippes ud.
cms/verbs-webp/75195383.webp
zijn
Je moet niet verdrietig zijn!
være
Du bør ikke være trist!
cms/verbs-webp/105504873.webp
willen verlaten
Ze wil haar hotel verlaten.
ville forlade
Hun vil forlade sit hotel.
cms/verbs-webp/123211541.webp
sneeuwen
Het heeft vandaag veel gesneeuwd.
sne
Det har sneet meget i dag.
cms/verbs-webp/46998479.webp
bespreken
Ze bespreken hun plannen.
diskutere
De diskuterer deres planer.
cms/verbs-webp/859238.webp
uitoefenen
Ze oefent een ongewoon beroep uit.
udøve
Hun udøver et usædvanligt erhverv.
cms/verbs-webp/46385710.webp
accepteren
Creditcards worden hier geaccepteerd.
acceptere
Kreditkort accepteres her.
cms/verbs-webp/63457415.webp
vereenvoudigen
Je moet ingewikkelde dingen voor kinderen vereenvoudigen.
forenkle
Man skal forenkle komplicerede ting for børn.
cms/verbs-webp/61162540.webp
activeren
De rook activeerde het alarm.
udløse
Røgen udløste alarmen.
cms/verbs-webp/122290319.webp
opzij zetten
Ik wil elke maand wat geld opzij zetten voor later.
sætte til side
Jeg vil sætte nogle penge til side hver måned til senere.