Vocabulary
Learn Verbs – Dutch

becommentariëren
Hij becommentarieert elke dag de politiek.
comment
He comments on politics every day.

naar beneden kijken
Ik kon vanuit het raam naar het strand beneden kijken.
look down
I could look down on the beach from the window.

brengen
De koerier brengt een pakketje.
bring
The messenger brings a package.

investeren
Waar moeten we ons geld in investeren?
invest
What should we invest our money in?

controleren
De monteur controleert de functies van de auto.
check
The mechanic checks the car’s functions.

out-of-the-box denken
Om succesvol te zijn, moet je soms out-of-the-box denken.
think outside the box
To be successful, you have to think outside the box sometimes.

beschermen
Kinderen moeten beschermd worden.
protect
Children must be protected.

aan de beurt komen
Even wachten, je komt zo aan de beurt!
get a turn
Please wait, you’ll get your turn soon!

naar buiten rennen
Ze rent met de nieuwe schoenen naar buiten.
run out
She runs out with the new shoes.

eten
De kippen eten de granen.
eat
The chickens are eating the grains.

naar huis rijden
Na het winkelen rijden de twee naar huis.
drive home
After shopping, the two drive home.
