Vocabulary
Learn Verbs – Dutch

antwoorden
Ze antwoordde met een vraag.
respond
She responded with a question.

brengen
De koerier brengt een pakketje.
bring
The messenger brings a package.

bewijzen
Hij wil een wiskundige formule bewijzen.
prove
He wants to prove a mathematical formula.

verbeteren
Ze wil haar figuur verbeteren.
improve
She wants to improve her figure.

toebehoren
Mijn vrouw behoort mij toe.
belong
My wife belongs to me.

annuleren
Het contract is geannuleerd.
cancel
The contract has been canceled.

verbranden
Je moet geen geld verbranden.
burn
You shouldn’t burn money.

uitslapen
Ze willen eindelijk eens een nacht uitslapen.
sleep in
They want to finally sleep in for one night.

achterna rennen
De moeder rent achter haar zoon aan.
run after
The mother runs after her son.

opletten
Men moet opletten voor de verkeerstekens.
pay attention to
One must pay attention to traffic signs.

repareren
Hij wilde de kabel repareren.
repair
He wanted to repair the cable.
