Vocabulary
Learn Verbs – Dutch

achteruit zetten
Binnenkort moeten we de klok weer achteruit zetten.
set back
Soon we’ll have to set the clock back again.

verwijderen
Onkruid moet verwijderd worden.
pull out
Weeds need to be pulled out.

achterliggen
De tijd van haar jeugd ligt ver achter haar.
lie behind
The time of her youth lies far behind.

bevatten
Vis, kaas en melk bevatten veel eiwitten.
contain
Fish, cheese, and milk contain a lot of protein.

wennen aan
Kinderen moeten wennen aan het tandenpoetsen.
get used to
Children need to get used to brushing their teeth.

gebeuren
Hier is een ongeluk gebeurd.
happen
An accident has happened here.

meerijden
Mag ik met je meerijden?
ride along
May I ride along with you?

stoppen
De vrouw stopt een auto.
stop
The woman stops a car.

verdelen
Ze verdelen het huishoudelijk werk onder elkaar.
divide
They divide the housework among themselves.

bewijzen
Hij wil een wiskundige formule bewijzen.
prove
He wants to prove a mathematical formula.

overrijden
Helaas worden er nog veel dieren overreden door auto’s.
run over
Unfortunately, many animals are still run over by cars.
