Vocabulary
Learn Verbs – Dutch

wijken
Veel oude huizen moeten wijken voor de nieuwe.
give way
Many old houses have to give way for the new ones.

leren kennen
Vreemde honden willen elkaar leren kennen.
get to know
Strange dogs want to get to know each other.

zorgen voor
Onze zoon zorgt heel goed voor zijn nieuwe auto.
take care
Our son takes very good care of his new car.

kijken
Ze kijkt door een verrekijker.
look
She looks through binoculars.

boos worden
Ze wordt boos omdat hij altijd snurkt.
get upset
She gets upset because he always snores.

vrezen
We vrezen dat de persoon ernstig gewond is.
fear
We fear that the person is seriously injured.

kopen
Ze willen een huis kopen.
buy
They want to buy a house.

liegen
Hij liegt vaak als hij iets wil verkopen.
lie
He often lies when he wants to sell something.

verkopen
De handelaren verkopen veel goederen.
sell
The traders are selling many goods.

de weg vinden
Ik kan goed de weg vinden in een labyrint.
find one’s way
I can find my way well in a labyrinth.

herinneren
De computer herinnert me aan mijn afspraken.
remind
The computer reminds me of my appointments.
