Vocabulario
Aprender verbos – alemán

ville gå ud
Barnet vil gerne ud.
naar buiten willen
Het kind wil naar buiten.

sælge
Handlerne sælger mange varer.
verkopen
De handelaren verkopen veel goederen.

søge
Tyven søger huset.
doorzoeken
De inbreker doorzoekt het huis.

køre med
Må jeg køre med dig?
meerijden
Mag ik met je meerijden?

sove længe
De vil endelig sove længe en nat.
uitslapen
Ze willen eindelijk eens een nacht uitslapen.

kende
Hun kender mange bøger næsten udenad.
kennen
Ze kent veel boeken bijna uit haar hoofd.

brede ud
Han breder sine arme ud.
uitspreiden
Hij spreidt zijn armen wijd uit.

skrive ned
Du skal skrive kodeordet ned!
opschrijven
Je moet het wachtwoord opschrijven!

lukke ind
Det sneede udenfor, og vi lukkede dem ind.
binnenlaten
Buiten sneeuwde het en we lieten ze binnen.

tjekke
Han tjekker, hvem der bor der.
controleren
Hij controleert wie daar woont.

løbe væk
Vores kat løb væk.
weglopen
Onze kat is weggelopen.
