branden
Er brandt een vuur in de open haard.
burn
A fire is burning in the fireplace.
brengen
De koerier brengt een pakketje.
bring
The messenger brings a package.
bedienen
De chef bedient ons vandaag zelf.
serve
The chef is serving us himself today.
drinken
Ze drinkt thee.
drink
She drinks tea.
annuleren
Het contract is geannuleerd.
cancel
The contract has been canceled.
mengen
Ze mengt een vruchtensap.
mix
She mixes a fruit juice.
volgen
Mijn hond volgt me als ik jog.
follow
My dog follows me when I jog.
drinken
De koeien drinken water uit de rivier.
drink
The cows drink water from the river.
weglopen
Sommige kinderen lopen van huis weg.
run away
Some kids run away from home.
wonen
Ze wonen in een gedeeld appartement.
live
They live in a shared apartment.
beschadigen
Twee auto’s raakten beschadigd bij het ongeluk.
damage
Two cars were damaged in the accident.
houden van
Ze houdt meer van chocolade dan van groenten.
like
She likes chocolate more than vegetables.