Բառապաշար
Սովորիր բայերը – Esperanto

traer
El repartidor de pizzas trae la pizza.
bezorgen
De pizzabezorger bezorgt de pizza.

casar
La pareja acaba de casarse.
trouwen
Het stel is net getrouwd.

responder
El estudiante responde a la pregunta.
antwoorden
De student beantwoordt de vraag.

empujar
La enfermera empuja al paciente en una silla de ruedas.
duwen
De verpleegster duwt de patiënt in een rolstoel.

beber
Las vacas beben agua del río.
drinken
De koeien drinken water uit de rivier.

desmontar
¡Nuestro hijo desmonta todo!
uit elkaar halen
Onze zoon haalt alles uit elkaar!

entrar
El barco está entrando en el puerto.
binnenkomen
Het schip komt de haven binnen.

ejercer
Ella ejerce una profesión inusual.
uitoefenen
Ze oefent een ongewoon beroep uit.

girar
Puedes girar a la izquierda.
draaien
Je mag naar links draaien.

matar
Ten cuidado, puedes matar a alguien con ese hacha.
doden
Pas op, je kunt iemand doden met die bijl!

trabajar
Ella trabaja mejor que un hombre.
werken
Ze werkt beter dan een man.
