Kosa kata
Pelajari Kata Kerja – Finlandia

bære
De bærer deres børn på ryggen.
dragen
Ze dragen hun kinderen op hun rug.

kigge ned
Jeg kunne kigge ned på stranden fra vinduet.
naar beneden kijken
Ik kon vanuit het raam naar het strand beneden kijken.

løbe væk
Nogle børn løber væk hjemmefra.
weglopen
Sommige kinderen lopen van huis weg.

virke
Motorcyklen er i stykker; den virker ikke længere.
werken
De motorfiets is kapot; hij werkt niet meer.

vige pladsen
Mange gamle huse skal vige pladsen for de nye.
wijken
Veel oude huizen moeten wijken voor de nieuwe.

slippe
Du må ikke slippe grebet!
loslaten
Je mag de grip niet loslaten!

forlade
Mange englændere ville forlade EU.
verlaten
Veel Engelsen wilden de EU verlaten.

se klart
Jeg kan se alt klart gennem mine nye briller.
duidelijk zien
Ik kan alles duidelijk zien door mijn nieuwe bril.

passere
Middelalderperioden er passeret.
voorbijgaan
De middeleeuwse periode is voorbijgegaan.

tage toget
Jeg vil tage derhen med toget.
met de trein gaan
Ik ga er met de trein heen.

gå
Hvor går I begge to?
gaan
Waar gaan jullie beiden heen?
