Vocabolario
Impara i verbi – Telugu

bedekken
Ze bedekt haar gezicht.
bedekken
Ze bedekt haar gezicht.
dække
Hun dækker sit ansigt.

negeren
Het kind negeert de woorden van zijn moeder.
negeren
Het kind negeert de woorden van zijn moeder.
ignorere
Barnet ignorerer sin mors ord.

schilderen
Hij schildert de muur wit.
schilderen
Hij schildert de muur wit.
male
Han maler væggen hvid.

aanraken
De boer raakt zijn planten aan.
aanraken
De boer raakt zijn planten aan.
røre
Landmanden rører ved sine planter.

mengen
Ze mengt een vruchtensap.
mengen
Ze mengt een vruchtensap.
blande
Hun blander en frugtjuice.

stoppen
Je moet stoppen bij het rode licht.
stoppen
Je moet stoppen bij het rode licht.
stoppe
Du skal stoppe ved det røde lys.

opstaan
Ze kan niet meer zelfstandig opstaan.
opstaan
Ze kan niet meer zelfstandig opstaan.
rejse sig
Hun kan ikke længere rejse sig selv.

verder gaan
Je kunt op dit punt niet verder gaan.
verder gaan
Je kunt op dit punt niet verder gaan.
gå videre
Du kan ikke gå videre herfra.

activeren
De rook activeerde het alarm.
activeren
De rook activeerde het alarm.
udløse
Røgen udløste alarmen.

opschrijven
Je moet het wachtwoord opschrijven!
opschrijven
Je moet het wachtwoord opschrijven!
skrive ned
Du skal skrive kodeordet ned!

overspringen
De atleet moet over het obstakel springen.
overspringen
De atleet moet over het obstakel springen.
springe over
Atleten skal springe over forhindringen.
