単語
動詞を学ぶ – デンマーク語

kick
They like to kick, but only in table soccer.
schoppen
Ze schoppen graag, maar alleen bij tafelvoetbal.

wait
We still have to wait for a month.
wachten
We moeten nog een maand wachten.

destroy
The tornado destroys many houses.
vernielen
De tornado vernielt veel huizen.

search
I search for mushrooms in the fall.
zoeken
Ik zoek paddenstoelen in de herfst.

find again
I couldn’t find my passport after moving.
terugvinden
Na de verhuizing kon ik mijn paspoort niet meer terugvinden.

kill
Be careful, you can kill someone with that axe!
doden
Pas op, je kunt iemand doden met die bijl!

initiate
They will initiate their divorce.
initiëren
Ze zullen hun scheiding initiëren.

set up
My daughter wants to set up her apartment.
inrichten
Mijn dochter wil haar appartement inrichten.

look
She looks through binoculars.
kijken
Ze kijkt door een verrekijker.

dial
She picked up the phone and dialed the number.
draaien
Ze pakte de telefoon en draaide het nummer.

spend
She spent all her money.
uitgeven
Ze heeft al haar geld uitgegeven.
