शब्दसंग्रह
क्रियापद शिका – ग्रीक

vernielen
De tornado vernielt veel huizen.
vernielen
De tornado vernielt veel huizen.
يدمر
الإعصار يدمر الكثير من المنازل.

optrekken
De helikopter trekt de twee mannen omhoog.
optrekken
De helikopter trekt de twee mannen omhoog.
يسحب
الطائرة المروحية تسحب الرجلين للأعلى.

spreken
Hij spreekt tot zijn publiek.
spreken
Hij spreekt tot zijn publiek.
تحدث
يتحدث إلى جمهوره.

schoonmaken
De werker maakt het raam schoon.
schoonmaken
De werker maakt het raam schoon.
ينظف
العامل ينظف النافذة.

creëren
Wie heeft de aarde gecreëerd?
creëren
Wie heeft de aarde gecreëerd?
من خلق
من خلق الأرض؟

weerzien
Ze zien elkaar eindelijk weer.
weerzien
Ze zien elkaar eindelijk weer.
رؤية مرة أخرى
أخيرًا رأوا بعضهم البعض مرة أخرى.

uitgeven
Ze heeft al haar geld uitgegeven.
uitgeven
Ze heeft al haar geld uitgegeven.
قضى
قضت كل أموالها.

toestaan
Men mag depressie niet toestaan.
toestaan
Men mag depressie niet toestaan.
سمح
يجب ألا يسمح للكآبة.

aanraken
Hij raakte haar teder aan.
aanraken
Hij raakte haar teder aan.
لمس
لمسها بحنان.

ontdekken
De zeelieden hebben een nieuw land ontdekt.
ontdekken
De zeelieden hebben een nieuw land ontdekt.
اكتشف
اكتشف البحارة أرضًا جديدة.

terugkomen
De boemerang kwam terug.
terugkomen
De boemerang kwam terug.
عاد
عاد البوميرانج.
