Woordenlijst
Leer werkwoorden – Grieks

tegenover liggen
Daar is het kasteel - het ligt er recht tegenover!
tegenover liggen
Daar is het kasteel - het ligt er recht tegenover!
ligge motsatt
Der er slottet - det ligger rett motsatt!

wandelen
Hij wandelt graag in het bos.
wandelen
Hij wandelt graag in het bos.
gå
Han liker å gå i skogen.

opzij zetten
Ik wil elke maand wat geld opzij zetten voor later.
opzij zetten
Ik wil elke maand wat geld opzij zetten voor later.
sette til side
Jeg vil sette til side litt penger hver måned for senere.

wijken
Veel oude huizen moeten wijken voor de nieuwe.
wijken
Veel oude huizen moeten wijken voor de nieuwe.
vike
Mange gamle hus må vike for de nye.

gooien naar
Ze gooien de bal naar elkaar.
gooien naar
Ze gooien de bal naar elkaar.
kaste til
De kaster ballen til hverandre.

voelen
De moeder voelt veel liefde voor haar kind.
voelen
De moeder voelt veel liefde voor haar kind.
føle
Moren føler stor kjærlighet for barnet sitt.

bezorgen
Onze dochter bezorgt kranten tijdens de vakantie.
bezorgen
Onze dochter bezorgt kranten tijdens de vakantie.
levere
Vår datter leverer aviser i feriene.

failliet gaan
Het bedrijf gaat waarschijnlijk binnenkort failliet.
failliet gaan
Het bedrijf gaat waarschijnlijk binnenkort failliet.
gå konkurs
Bedriften vil sannsynligvis gå konkurs snart.

vervoeren
De vrachtwagen vervoert de goederen.
vervoeren
De vrachtwagen vervoert de goederen.
transportere
Lastebilen transporterer varene.

walgen van
Ze walgde van spinnen.
walgen van
Ze walgde van spinnen.
bli frastøtt
Hun blir frastøtt av edderkopper.

aankomen
Het vliegtuig is op tijd aangekomen.
aankomen
Het vliegtuig is op tijd aangekomen.
ankomme
Flyet har ankommet i tide.
