Woordenlijst
Duits – Werkwoorden oefenen

geven
Wat heeft haar vriend haar voor haar verjaardag gegeven?

zorgen voor
Onze conciërge zorgt voor de sneeuwruiming.

wegjagen
De ene zwaan jaagt de andere weg.

tellen
Ze telt de munten.

becommentariëren
Hij becommentarieert elke dag de politiek.

ontslaan
De baas heeft hem ontslagen.

vormen
We vormen samen een goed team.

bewijzen
Hij wil een wiskundige formule bewijzen.

besparen
Je bespaart geld als je de kamertemperatuur verlaagt.

verlaten
De man vertrekt.

veroorzaken
Suiker veroorzaakt veel ziekten.
