Woordenlijst
Spaans – Werkwoorden oefenen

ontslaan
De baas heeft hem ontslagen.

vernielen
De tornado vernielt veel huizen.

vertrekken
Onze vakantiegasten vertrokken gisteren.

trekken
Hoe gaat hij die grote vis eruit trekken?

uitgaan
De kinderen willen eindelijk naar buiten.

terugnemen
Het apparaat is defect; de winkelier moet het terugnemen.

terugrijden
De moeder rijdt met de dochter terug naar huis.

oprapen
We moeten alle appels oprapen.

verlaten
Veel Engelsen wilden de EU verlaten.

begrijpen
Men kan niet alles over computers begrijpen.

annuleren
Hij heeft helaas de vergadering geannuleerd.
