Woordenlijst
Lets – Werkwoorden oefenen

vertalen
Hij kan tussen zes talen vertalen.

schoonmaken
Ze maakt de keuken schoon.

proeven
De chef-kok proeft de soep.

betalen
Ze betaalt online met een creditcard.

voelen
Ze voelt de baby in haar buik.

uitspreiden
Hij spreidt zijn armen wijd uit.

bedanken
Ik bedank je er heel erg voor!

ontdekken
De zeelieden hebben een nieuw land ontdekt.

arriveren
De taxi’s zijn bij de halte gearriveerd.

geld uitgeven
We moeten veel geld uitgeven aan reparaties.

schoppen
Ze schoppen graag, maar alleen bij tafelvoetbal.
