Woordenlijst
Marathi – Werkwoorden oefenen

genoeg zijn
Dat is genoeg, je irriteert!

gaan
Waar gaan jullie beiden heen?

schilderen
Hij schildert de muur wit.

verkennen
De astronauten willen de ruimte verkennen.

bang zijn
Het kind is bang in het donker.

uitknippen
De vormen moeten worden uitgeknipt.

wassen
De moeder wast haar kind.

liegen
Soms moet men liegen in een noodsituatie.

misgaan
Alles gaat vandaag mis!

afwassen
Ik hou niet van afwassen.

uitnodigen
Wij nodigen je uit voor ons oudejaarsfeest.
