Woordenlijst
Zweeds – Werkwoorden oefenen

leiden
Hij leidt het meisje bij de hand.

horen
Ik kan je niet horen!

uitgaan
De meisjes gaan graag samen uit.

sorteren
Ik heb nog veel papieren te sorteren.

onderzoeken
Bloedmonsters worden in dit lab onderzocht.

voltooien
Hij voltooit elke dag zijn jogroute.

opletten
Men moet opletten voor de verkeersborden.

initiëren
Ze zullen hun scheiding initiëren.

omgaan
Men moet met problemen omgaan.

rijden
Kinderen rijden graag op fietsen of steps.

bedekken
Het kind bedekt zijn oren.
