Woordenlijst
Thai – Werkwoorden oefenen

wegrennen
Iedereen rende weg van het vuur.

vormen
We vormen samen een goed team.

uitzoeken
Ze zoekt een nieuwe zonnebril uit.

versturen
Dit pakket wordt binnenkort verstuurd.

vechten
De atleten vechten tegen elkaar.

wegrijden
Ze rijdt weg in haar auto.

overtuigen
Ze moet haar dochter vaak overtuigen om te eten.

weglopen
Sommige kinderen lopen van huis weg.

bespreken
Ze bespreken hun plannen.

genieten
Ze geniet van het leven.

vrienden worden
De twee zijn vrienden geworden.
