Woordenlijst
Chinees (vereenvoudigd) – Werkwoorden oefenen

overdoen
De student heeft een jaar overgedaan.

vertrouwen
We vertrouwen elkaar allemaal.

moeten
Hij moet hier uitstappen.

betalen
Ze betaalde met een creditcard.

vaststellen
De datum wordt vastgesteld.

vragen
Mijn kleinkind vraagt veel van mij.

slaan
Ouders zouden hun kinderen niet moeten slaan.

bedekken
De waterlelies bedekken het water.

uitgaan
Ze stapt uit de auto.

ontvangen
Ze ontving een heel mooi cadeau.

wennen aan
Kinderen moeten wennen aan het tandenpoetsen.
