Woordenlijst
Leer werkwoorden – Frans

rentrer
Après les courses, les deux rentrent chez elles.
naar huis rijden
Na het winkelen rijden de twee naar huis.

causer
Le sucre cause de nombreuses maladies.
veroorzaken
Suiker veroorzaakt veel ziekten.

voter
On vote pour ou contre un candidat.
stemmen
Men stemt voor of tegen een kandidaat.

confier
Les propriétaires me confient leurs chiens pour une promenade.
overlaten
De eigenaren laten hun honden aan mij over voor een wandeling.

taxer
Les entreprises sont taxées de diverses manières.
belasten
Bedrijven worden op verschillende manieren belast.

couvrir
L’enfant se couvre.
bedekken
Het kind bedekt zichzelf.

toucher
Le fermier touche ses plantes.
aanraken
De boer raakt zijn planten aan.

gaspiller
On ne devrait pas gaspiller l’énergie.
verspillen
Energie mag niet verspild worden.

brûler
Il a brûlé une allumette.
aansteken
Hij stak een lucifer aan.

éteindre
Elle éteint le réveil.
uitzetten
Ze zet de wekker uit.

épeler
Les enfants apprennent à épeler.
spellen
De kinderen leren spellen.
