Woordenlijst

Leer werkwoorden – Italiaans

cms/verbs-webp/109542274.webp
far passare
Si dovrebbero far passare i rifugiati alle frontiere?
doorlaten
Moeten vluchtelingen aan de grenzen worden doorgelaten?
cms/verbs-webp/102304863.webp
calciare
Attenzione, il cavallo può calciare!
schoppen
Pas op, het paard kan schoppen!
cms/verbs-webp/125319888.webp
coprire
Lei copre i suoi capelli.
bedekken
Ze bedekt haar haar.
cms/verbs-webp/72855015.webp
ricevere
Ha ricevuto un regalo molto bello.
ontvangen
Ze ontving een heel mooi cadeau.
cms/verbs-webp/123203853.webp
causare
L’alcol può causare mal di testa.
veroorzaken
Alcohol kan hoofdpijn veroorzaken.
cms/verbs-webp/21529020.webp
correre verso
La ragazza corre verso sua madre.
toelopen
Het meisje loopt naar haar moeder toe.
cms/verbs-webp/89869215.webp
calciare
A loro piace calciare, ma solo nel calcetto.
schoppen
Ze schoppen graag, maar alleen bij tafelvoetbal.
cms/verbs-webp/118064351.webp
evitare
Lui deve evitare le noci.
vermijden
Hij moet noten vermijden.
cms/verbs-webp/110322800.webp
parlare male
I compagni di classe parlano male di lei.
kwaadspreken
De klasgenoten spreken kwaad over haar.
cms/verbs-webp/92145325.webp
guardare attraverso
Lei guarda attraverso un buco.
kijken
Ze kijkt door een gat.
cms/verbs-webp/63351650.webp
cancellare
Il volo è cancellato.
annuleren
De vlucht is geannuleerd.
cms/verbs-webp/115847180.webp
aiutare
Tutti aiutano a montare la tenda.
helpen
Iedereen helpt de tent opzetten.