Ordforråd

Lær verb – spansk

cms/verbs-webp/99633900.webp
explorar
Los humanos quieren explorar Marte.
verkennen
Mensen willen Mars verkennen.
cms/verbs-webp/124545057.webp
escuchar
A los niños les gusta escuchar sus historias.
luisteren naar
De kinderen luisteren graag naar haar verhalen.
cms/verbs-webp/121820740.webp
empezar
Los excursionistas empezaron temprano en la mañana.
beginnen
De wandelaars begonnen vroeg in de ochtend.
cms/verbs-webp/105623533.webp
deber
Se debería beber mucha agua.
moeten
Men zou veel water moeten drinken.
cms/verbs-webp/34979195.webp
juntarse
Es bonito cuando dos personas se juntan.
samenkomen
Het is fijn als twee mensen samenkomen.
cms/verbs-webp/125376841.webp
mirar
En vacaciones, miré muchos lugares de interés.
bekijken
Op vakantie heb ik veel bezienswaardigheden bekeken.
cms/verbs-webp/113136810.webp
despachar
Este paquete será despachado pronto.
versturen
Dit pakket wordt binnenkort verstuurd.
cms/verbs-webp/80552159.webp
funcionar
La motocicleta está rota; ya no funciona.
werken
De motorfiets is kapot; hij werkt niet meer.
cms/verbs-webp/100466065.webp
omitir
Puedes omitir el azúcar en el té.
weglaten
Je kunt de suiker in de thee weglaten.
cms/verbs-webp/49374196.webp
despedir
Mi jefe me ha despedido.
ontslaan
Mijn baas heeft me ontslagen.
cms/verbs-webp/111750432.webp
colgar
Ambos están colgando de una rama.
hangen
Ze hangen beide aan een tak.
cms/verbs-webp/129203514.webp
charlar
A menudo charla con su vecino.
kletsen
Hij kletst vaak met zijn buurman.