Ordforråd
Lær verb – estisk

encargarse de
Nuestro conserje se encarga de la eliminación de nieve.
zorgen voor
Onze conciërge zorgt voor de sneeuwruiming.

atrever
No me atrevo a saltar al agua.
durven
Ik durf niet in het water te springen.

acompañar
El perro los acompaña.
begeleiden
De hond begeleidt hen.

dejar entrar
Estaba nevando afuera y los dejamos entrar.
binnenlaten
Buiten sneeuwde het en we lieten ze binnen.

jugar
El niño prefiere jugar solo.
spelen
Het kind speelt liever alleen.

conectar
Este puente conecta dos barrios.
verbinden
Deze brug verbindt twee wijken.

mudar
El vecino se está mudando.
verhuizen
De buurman verhuist.

ahorrar
La niña está ahorrando su dinero de bolsillo.
sparen
Het meisje spaart haar zakgeld.

yacer
Ahí está el castillo, ¡yace justo enfrente!
tegenover liggen
Daar is het kasteel - het ligt er recht tegenover!

revisar
El dentista revisa la dentición del paciente.
controleren
De tandarts controleert het gebit van de patiënt.

sonar
¿Quién sonó el timbre?
bellen
Wie heeft er aan de deurbel gebeld?
