Ordforråd

Lær verb – estisk

cms/verbs-webp/75281875.webp
encargarse de
Nuestro conserje se encarga de la eliminación de nieve.
zorgen voor
Onze conciërge zorgt voor de sneeuwruiming.
cms/verbs-webp/93031355.webp
atrever
No me atrevo a saltar al agua.
durven
Ik durf niet in het water te springen.
cms/verbs-webp/101765009.webp
acompañar
El perro los acompaña.
begeleiden
De hond begeleidt hen.
cms/verbs-webp/53646818.webp
dejar entrar
Estaba nevando afuera y los dejamos entrar.
binnenlaten
Buiten sneeuwde het en we lieten ze binnen.
cms/verbs-webp/87317037.webp
jugar
El niño prefiere jugar solo.
spelen
Het kind speelt liever alleen.
cms/verbs-webp/79201834.webp
conectar
Este puente conecta dos barrios.
verbinden
Deze brug verbindt twee wijken.
cms/verbs-webp/5135607.webp
mudar
El vecino se está mudando.
verhuizen
De buurman verhuist.
cms/verbs-webp/96628863.webp
ahorrar
La niña está ahorrando su dinero de bolsillo.
sparen
Het meisje spaart haar zakgeld.
cms/verbs-webp/119501073.webp
yacer
Ahí está el castillo, ¡yace justo enfrente!
tegenover liggen
Daar is het kasteel - het ligt er recht tegenover!
cms/verbs-webp/68761504.webp
revisar
El dentista revisa la dentición del paciente.
controleren
De tandarts controleert het gebit van de patiënt.
cms/verbs-webp/59121211.webp
sonar
¿Quién sonó el timbre?
bellen
Wie heeft er aan de deurbel gebeld?
cms/verbs-webp/107407348.webp
viajar
He viajado mucho alrededor del mundo.
rondreizen
Ik heb veel rond de wereld gereisd.