Ordforråd
tysk – Verb Øvelse

samenwonen
De twee zijn van plan om binnenkort samen te gaan wonen.

garanderen
Verzekering garandeert bescherming bij ongevallen.

belasten
Kantoorwerk belast haar erg.

importeren
We importeren fruit uit veel landen.

bedekken
Het kind bedekt zichzelf.

verhuizen
Mijn neefje gaat verhuizen.

ontcijferen
Hij ontcijfert de kleine letters met een vergrootglas.

helpen
Iedereen helpt de tent opzetten.

aankomen
Hij kwam net op tijd aan.

bekend zijn met
Ze is niet bekend met elektriciteit.

rijden
Kinderen rijden graag op fietsen of steps.
