Ordforråd

Lær verb – latvisk

cms/verbs-webp/99455547.webp
acceptere
Nogle mennesker vil ikke acceptere sandheden.
accepteren
Sommige mensen willen de waarheid niet accepteren.
cms/verbs-webp/40946954.webp
sortere
Han kan lide at sortere sine frimærker.
sorteren
Hij sorteert graag zijn postzegels.
cms/verbs-webp/105875674.webp
sparke
I kampsport skal man kunne sparke godt.
schoppen
In vechtsporten moet je goed kunnen schoppen.
cms/verbs-webp/84472893.webp
ride
Børn kan lide at ride på cykler eller løbehjul.
rijden
Kinderen rijden graag op fietsen of steps.
cms/verbs-webp/859238.webp
udøve
Hun udøver et usædvanligt erhverv.
uitoefenen
Ze oefent een ongewoon beroep uit.
cms/verbs-webp/116835795.webp
ankomme
Mange mennesker ankommer med autocamper på ferie.
aankomen
Veel mensen komen op vakantie met een camper aan.
cms/verbs-webp/35071619.webp
passere
De to passerer hinanden.
voorbijgaan
De twee lopen elkaar voorbij.
cms/verbs-webp/96531863.webp
gå igennem
Kan katten gå igennem dette hul?
doorgaan
Kan de kat door dit gat gaan?
cms/verbs-webp/100585293.webp
vende rundt
Du skal vende bilen her.
omdraaien
Je moet hier de auto omdraaien.
cms/verbs-webp/118064351.webp
undgå
Han skal undgå nødder.
vermijden
Hij moet noten vermijden.
cms/verbs-webp/102677982.webp
føle
Hun føler babyen i hendes mave.
voelen
Ze voelt de baby in haar buik.
cms/verbs-webp/83636642.webp
slå
Hun slår bolden over nettet.
slaan
Ze slaat de bal over het net.