Ordforråd
Lær verb – nederlandsk

verheugen
Kinderen verheugen zich altijd op sneeuw.
glede seg
Barn gleder seg alltid til snø.

liegen
Hij liegt vaak als hij iets wil verkopen.
lyve
Han lyver ofte når han vil selge noe.

afwassen
Ik hou niet van afwassen.
vaske opp
Jeg liker ikke å vaske opp.

sluiten
Ze sluit de gordijnen.
lukke
Hun lukker gardinene.

parkeren
De auto’s staan in de ondergrondse garage geparkeerd.
parkere
Bilene er parkert i undergrunnen.

bereiden
Er wordt een heerlijk ontbijt bereid!
forberede
En deilig frokost blir forberedt!

controleren
De tandarts controleert de tanden.
sjekke
Tannlegen sjekker tennene.

wegjagen
De ene zwaan jaagt de andere weg.
jage bort
En svane jager bort en annen.

protesteren
Mensen protesteren tegen onrecht.
protestere
Folk protesterer mot urettferdighet.

verwijderen
De vakman heeft de oude tegels verwijderd.
fjerne
Håndverkeren fjernet de gamle flisene.

aanbieden
Wat bied je me aan voor mijn vis?
tilby
Hva tilbyr du meg for fisken min?
