Ordforråd
Lær verb – polsk

ontvangen
Hij ontving een loonsverhoging van zijn baas.
receive
He received a raise from his boss.

begrenzen
Hekken begrenzen onze vrijheid.
limit
Fences limit our freedom.

rijden
Kinderen rijden graag op fietsen of steps.
ride
Kids like to ride bikes or scooters.

activeren
De rook activeerde het alarm.
trigger
The smoke triggered the alarm.

werken aan
Hij moet aan al deze bestanden werken.
work on
He has to work on all these files.

trainen
De hond wordt door haar getraind.
train
The dog is trained by her.

omgaan
Men moet met problemen omgaan.
handle
One has to handle problems.

voelen
Hij voelt zich vaak alleen.
feel
He often feels alone.

overtuigen
Ze moet haar dochter vaak overtuigen om te eten.
persuade
She often has to persuade her daughter to eat.

de weg terugvinden
Ik kan de weg terug niet vinden.
find one’s way back
I can’t find my way back.

samenwonen
De twee zijn van plan om binnenkort samen te gaan wonen.
move in together
The two are planning to move in together soon.
