Słownictwo
Naucz się czasowników – niemiecki

burn
A fire is burning in the fireplace.
branden
Er brandt een vuur in de open haard.

keep
I keep my money in my nightstand.
bewaren
Ik bewaar mijn geld in mijn nachtkastje.

deliver
He delivers pizzas to homes.
bezorgen
Hij bezorgt pizza’s aan huis.

examine
Blood samples are examined in this lab.
onderzoeken
Bloedmonsters worden in dit lab onderzocht.

must
He must get off here.
moeten
Hij moet hier uitstappen.

look down
I could look down on the beach from the window.
naar beneden kijken
Ik kon vanuit het raam naar het strand beneden kijken.

prepare
A delicious breakfast is prepared!
bereiden
Er wordt een heerlijk ontbijt bereid!

spend money
We have to spend a lot of money on repairs.
geld uitgeven
We moeten veel geld uitgeven aan reparaties.

save
My children have saved their own money.
sparen
Mijn kinderen hebben hun eigen geld gespaard.

throw
He throws his computer angrily onto the floor.
gooien
Hij gooit zijn computer boos op de grond.

carry out
He carries out the repair.
uitvoeren
Hij voert de reparatie uit.
