Vocabulário
Aprenda verbos – Dinamarquês

duwen
Ze duwen de man het water in.
schubsen
Sie schubsen den Mann ins Wasser.

gebruiken
We gebruiken gasmaskers in het vuur.
einsetzen
Wir setzen bei dem Brand Gasmasken ein.

drinken
Ze drinkt thee.
trinken
Sie trinkt Tee.

failliet gaan
Het bedrijf gaat waarschijnlijk binnenkort failliet.
pleitegehen
Der Betrieb wird wohl bald pleitegehen.

voorbijgaan
De tijd gaat soms langzaam voorbij.
vergehen
Die Zeit vergeht manchmal langsam.

kennen
Ze kent veel boeken bijna uit haar hoofd.
kennen
Sie kennt viele Bücher fast auswendig.

overspringen
De atleet moet over het obstakel springen.
überspringen
Der Athlet muss das Hindernis überspringen.

zwemmen
Ze zwemt regelmatig.
schwimmen
Sie schwimmt regelmäßig.

verwijderen
Hoe kan men een rode wijnvlek verwijderen?
entfernen
Wie kann man einen Rotweinfleck entfernen?

dragen
De ezel draagt een zware last.
schleppen
Der Esel schleppt eine schwere Last.

beheersen
Ik kan niet te veel geld uitgeven; ik moet me beheersen.
maßhalten
Ich darf nicht so viel Geld ausgeben, ich muss maßhalten.
