Vocabulário
Aprenda verbos – Húngaro

peindre
La voiture est en train d’être peinte en bleu.
schilderen
De auto wordt blauw geschilderd.

visiter
Elle visite Paris.
bezoeken
Ze bezoekt Parijs.

prononcer un discours
Le politicien prononce un discours devant de nombreux étudiants.
een toespraak houden
De politicus houdt een toespraak voor veel studenten.

envoyer
Il envoie une lettre.
sturen
Hij stuurt een brief.

créer
Il a créé un modèle pour la maison.
creëren
Hij heeft een model voor het huis gecreëerd.

promouvoir
Nous devons promouvoir des alternatives au trafic automobile.
bevorderen
We moeten alternatieven voor autoverkeer bevorderen.

marcher
Il aime marcher dans la forêt.
wandelen
Hij wandelt graag in het bos.

répondre
Elle a répondu par une question.
antwoorden
Ze antwoordde met een vraag.

approcher
Les escargots se rapprochent l’un de l’autre.
dichterbij komen
De slakken komen dichter bij elkaar.

quitter
Il a quitté son travail.
stoppen
Hij stopte met zijn baan.

accoucher
Elle va accoucher bientôt.
bevallen
Ze zal binnenkort bevallen.
