Vocabulário
Aprenda verbos – Holandês

geld uitgeven
We moeten veel geld uitgeven aan reparaties.
gastar dinheiro
Temos que gastar muito dinheiro em reparos.

ondertekenen
Hij ondertekende het contract.
assinar
Ele assinou o contrato.

opzoeken
Wat je niet weet, moet je opzoeken.
procurar
O que você não sabe, tem que procurar.

wegrennen
Iedereen rende weg van het vuur.
fugir
Todos fugiram do fogo.

doden
Ik zal de vlieg doden!
matar
Vou matar a mosca!

melden
Iedereen aan boord meldt zich bij de kapitein.
reportar-se
Todos a bordo se reportam ao capitão.

verwijzen
De leraar verwijst naar het voorbeeld op het bord.
referir
O professor refere-se ao exemplo no quadro.

ontvangen
Hij ontvangt een goed pensioen op oudere leeftijd.
receber
Ele recebe uma boa pensão na velhice.

leiden
Hij leidt het meisje bij de hand.
conduzir
Ele conduz a menina pela mão.

wandelen
De familie gaat op zondag wandelen.
passear
A família passeia aos domingos.

verwijderen
Hoe kan men een rode wijnvlek verwijderen?
remover
Como se pode remover uma mancha de vinho tinto?
