Vocabular

Învață verbele – Estonă

cms/verbs-webp/123237946.webp
suceder
Aquí ha sucedido un accidente.
gebeuren
Hier is een ongeluk gebeurd.
cms/verbs-webp/51573459.webp
enfatizar
Puedes enfatizar tus ojos bien con maquillaje.
benadrukken
Je kunt je ogen goed benadrukken met make-up.
cms/verbs-webp/93150363.webp
despertar
Acaba de despertar.
wakker worden
Hij is net wakker geworden.
cms/verbs-webp/47225563.webp
pensar junto
Tienes que pensar junto en los juegos de cartas.
meedenken
Je moet meedenken bij kaartspellen.
cms/verbs-webp/100565199.webp
desayunar
Preferimos desayunar en la cama.
ontbijten
We ontbijten het liefst op bed.
cms/verbs-webp/123203853.webp
causar
El alcohol puede causar dolores de cabeza.
veroorzaken
Alcohol kan hoofdpijn veroorzaken.
cms/verbs-webp/130814457.webp
añadir
Ella añade un poco de leche al café.
toevoegen
Ze voegt wat melk toe aan de koffie.
cms/verbs-webp/40632289.webp
chatear
Los estudiantes no deberían chatear durante la clase.
kletsen
Studenten mogen niet kletsen tijdens de les.
cms/verbs-webp/121264910.webp
cortar
Para la ensalada, tienes que cortar el pepino.
snijden
Voor de salade moet je de komkommer snijden.
cms/verbs-webp/125116470.webp
confiar
Todos confiamos en cada uno.
vertrouwen
We vertrouwen elkaar allemaal.
cms/verbs-webp/111615154.webp
llevar
La madre lleva a la hija de regreso a casa.
terugrijden
De moeder rijdt met de dochter terug naar huis.
cms/verbs-webp/55788145.webp
cubrir
El niño se cubre las orejas.
bedekken
Het kind bedekt zijn oren.