Лексика
Изучите глаголы – турецкий

moet gaan
Ek het dringend vakansie nodig; ek moet gaan!
moeten gaan
Ik heb dringend vakantie nodig; ik moet gaan!

verduur
Sy kan die pyn skaars verduur!
verdragen
Ze kan de pijn nauwelijks verdragen!

verander
Baie het verander as gevolg van klimaatsverandering.
veranderen
Veel is veranderd door klimaatverandering.

ry weg
Sy ry weg in haar motor.
wegrijden
Ze rijdt weg in haar auto.

beskik oor
Kinders beskik net oor sakgeld.
ter beschikking hebben
Kinderen hebben alleen zakgeld ter beschikking.

stuur
Die goedere sal in ’n pakkie aan my gestuur word.
sturen
De goederen worden in een pakket naar mij gestuurd.

verstaan
Ek het uiteindelik die taak verstaan!
begrijpen
Ik begreep eindelijk de taak!

open
Die fees is met vuurwerke geopen.
openen
Het festival werd geopend met vuurwerk.

luister
Hy luister na haar.
luisteren
Hij luistert naar haar.

drink
Die koeie drink water uit die rivier.
drinken
De koeien drinken water uit de rivier.

verdwaal
Ek het op my pad verdwaal.
verdwalen
Ik ben onderweg verdwaald.
