Slovná zásoba
hebrejčina – Cvičenie slovies

rinkelen
De bel rinkelt elke dag.

teruggaan
Hij kan niet alleen teruggaan.

houden van
Ze houdt heel veel van haar kat.

voor laten
Niemand wil hem voor laten gaan bij de kassa van de supermarkt.

updaten
Tegenwoordig moet je je kennis voortdurend updaten.

knippen
De kapper knipt haar haar.

toebehoren
Mijn vrouw behoort mij toe.

beslissen
Ze kan niet beslissen welke schoenen ze moet dragen.
