Речник
Научите глаголе руски

afbranden
Het vuur zal een groot deel van het bos afbranden.
afbranden
Het vuur zal een groot deel van het bos afbranden.
afbrand
Die vuur sal baie van die woud afbrand.

zich wenden tot
Ze wenden zich tot elkaar.
zich wenden tot
Ze wenden zich tot elkaar.
draai na
Hulle draai na mekaar toe.

uitzetten
Ze zet de elektriciteit uit.
uitzetten
Ze zet de elektriciteit uit.
skakel af
Sy skakel die elektrisiteit af.

moeten
Hij moet hier uitstappen.
moeten
Hij moet hier uitstappen.
moet
Hy moet hier afklim.

ter beschikking hebben
Kinderen hebben alleen zakgeld ter beschikking.
ter beschikking hebben
Kinderen hebben alleen zakgeld ter beschikking.
beskik oor
Kinders beskik net oor sakgeld.

een fout maken
Denk goed na zodat je geen fout maakt!
een fout maken
Denk goed na zodat je geen fout maakt!
’n fout maak
Dink deeglik sodat jy nie ’n fout maak nie!

vrienden worden
De twee zijn vrienden geworden.
vrienden worden
De twee zijn vrienden geworden.
vriende word
Die twee het vriende geword.

op maat snijden
De stof wordt op maat gesneden.
op maat snijden
De stof wordt op maat gesneden.
sny op grootte
Die materiaal word op grootte gesny.

uitsluiten
De groep sluit hem uit.
uitsluiten
De groep sluit hem uit.
uitsluit
Die groep sluit hom uit.

terugkeren
De vader is teruggekeerd uit de oorlog.
terugkeren
De vader is teruggekeerd uit de oorlog.
terugkeer
Die vader het uit die oorlog teruggekeer.

rondspringen
Het kind springt vrolijk in het rond.
rondspringen
Het kind springt vrolijk in het rond.
spring rond
Die kind spring gelukkig rond.
