Речник
Научите глаголе телугу

bellen
Wie heeft er aan de deurbel gebeld?
bellen
Wie heeft er aan de deurbel gebeld?
звонить
Кто звонил в дверной звонок?

bewaren
Ik bewaar mijn geld in mijn nachtkastje.
bewaren
Ik bewaar mijn geld in mijn nachtkastje.
хранить
Я храню свои деньги в прикроватном столике.

antwoorden
De student beantwoordt de vraag.
antwoorden
De student beantwoordt de vraag.
отвечать
Ученик отвечает на вопрос.

testen
De auto wordt in de werkplaats getest.
testen
De auto wordt in de werkplaats getest.
тестировать
Автомобиль тестируется на мастерской.

uitoefenen
Ze oefent een ongewoon beroep uit.
uitoefenen
Ze oefent een ongewoon beroep uit.
заниматься
Она занимается необычной профессией.

teruggaan
Hij kan niet alleen teruggaan.
teruggaan
Hij kan niet alleen teruggaan.
возвращаться
Он не может вернуться один.

evalueren
Hij evalueert de prestaties van het bedrijf.
evalueren
Hij evalueert de prestaties van het bedrijf.
оценивать
Он оценивает работу компании.

aanraken
Hij raakte haar teder aan.
aanraken
Hij raakte haar teder aan.
трогать
Он трогает ее нежно.

binnenkomen
Hij komt de hotelkamer binnen.
binnenkomen
Hij komt de hotelkamer binnen.
входить
Он входит в номер отеля.

verdragen
Ze kan de pijn nauwelijks verdragen!
verdragen
Ze kan de pijn nauwelijks verdragen!
выносить
Ей трудно выносить боль!

opletten
Men moet opletten voor de verkeersborden.
opletten
Men moet opletten voor de verkeersborden.
обращать внимание
Нужно обращать внимание на дорожные знаки.
