Речник
Научите глаголе урду

doorbrengen
Ze brengt al haar vrije tijd buiten door.
doorbrengen
Ze brengt al haar vrije tijd buiten door.
spend
She spends all her free time outside.

terugnemen
Het apparaat is defect; de winkelier moet het terugnemen.
terugnemen
Het apparaat is defect; de winkelier moet het terugnemen.
take back
The device is defective; the retailer has to take it back.

binnenkomen
Het schip komt de haven binnen.
binnenkomen
Het schip komt de haven binnen.
enter
The ship is entering the harbor.

opletten
Men moet opletten voor de verkeerstekens.
opletten
Men moet opletten voor de verkeerstekens.
pay attention to
One must pay attention to traffic signs.

ondertekenen
Hij ondertekende het contract.
ondertekenen
Hij ondertekende het contract.
sign
He signed the contract.

verrassen
Ze verraste haar ouders met een cadeau.
verrassen
Ze verraste haar ouders met een cadeau.
surprise
She surprised her parents with a gift.

schoonmaken
De werker maakt het raam schoon.
schoonmaken
De werker maakt het raam schoon.
clean
The worker is cleaning the window.

drijven
De cowboys drijven het vee met paarden.
drijven
De cowboys drijven het vee met paarden.
drive
The cowboys drive the cattle with horses.

huilen
Het kind huilt in het bad.
huilen
Het kind huilt in het bad.
cry
The child is crying in the bathtub.

terugkomen
De boemerang kwam terug.
terugkomen
De boemerang kwam terug.
return
The boomerang returned.

verslaan
Hij versloeg zijn tegenstander in tennis.
verslaan
Hij versloeg zijn tegenstander in tennis.
beat
He beat his opponent in tennis.
