Ordförråd
indonesiska – Verb Övning

terugbellen
Bel me morgen alstublieft terug.

denken
Je moet veel denken bij schaken.

roepen
De jongen roept zo luid als hij kan.

sturen
Hij stuurt een brief.

eten
Wat willen we vandaag eten?

aansteken
Hij stak een lucifer aan.

schilderen
Hij schildert de muur wit.

delen
We moeten leren onze rijkdom te delen.

ontvangen
Hij ontving een loonsverhoging van zijn baas.

uitsterven
Veel dieren zijn vandaag uitgestorven.

doden
Pas op, je kunt iemand doden met die bijl!
