Ordförråd

Lär dig verb – portugisiska (PT)

cms/verbs-webp/114993311.webp
nägema
Prillidega näed paremini.
zien
Je kunt beter zien met een bril.
cms/verbs-webp/121180353.webp
kaotama
Oota, oled oma rahakoti kaotanud!
verliezen
Wacht, je hebt je portemonnee verloren!
cms/verbs-webp/38296612.webp
eksisteerima
Dinosaurused ei eksisteeri täna enam.
bestaan
Dinosaurussen bestaan tegenwoordig niet meer.
cms/verbs-webp/121870340.webp
jooksma
Sportlane jookseb.
rennen
De atleet rent.
cms/verbs-webp/121820740.webp
alustama
Matkajad alustasid vara hommikul.
beginnen
De wandelaars begonnen vroeg in de ochtend.
cms/verbs-webp/33564476.webp
kohale tooma
Pitsa kuller toob pitsa kohale.
bezorgen
De pizzabezorger bezorgt de pizza.
cms/verbs-webp/107508765.webp
sisse lülitama
Lülita teler sisse!
aanzetten
Zet de TV aan!
cms/verbs-webp/85191995.webp
läbi saama
Lõpetage oma tüli ja hakkake juba läbi saama!
overweg kunnen
Stop met ruziën en kunnen jullie eindelijk met elkaar overweg!
cms/verbs-webp/115520617.webp
üle sõitma
Auto sõitis jalgratturi üle.
aanrijden
Een fietser werd aangereden door een auto.
cms/verbs-webp/77572541.webp
eemaldama
Käsitööline eemaldas vanad plaadid.
verwijderen
De vakman heeft de oude tegels verwijderd.
cms/verbs-webp/122153910.webp
jagama
Nad jagavad kodutöid omavahel.
verdelen
Ze verdelen het huishoudelijk werk onder elkaar.
cms/verbs-webp/101945694.webp
sisse magama
Nad soovivad lõpuks üheks ööks sisse magada.
uitslapen
Ze willen eindelijk eens een nacht uitslapen.