పదజాలం
కన్నడ – క్రియల వ్యాయామం

wekken
De wekker wekt haar om 10 uur ’s ochtends.

rondspringen
Het kind springt vrolijk in het rond.

eens zijn
De buren konden het niet eens worden over de kleur.

ontslaan
Mijn baas heeft me ontslagen.

rinkelen
Hoor je de bel rinkelen?

vervoeren
We vervoeren de fietsen op het dak van de auto.

ontvangen
Ik kan zeer snel internet ontvangen.

zoeken
Ik zoek paddenstoelen in de herfst.

dienen
Honden dienen graag hun baasjes.

beheren
Wie beheert het geld in jouw gezin?

sorteren
Ik heb nog veel papieren te sorteren.
