คำศัพท์
กันนาดา – แบบฝึกหัดคำวิเศษณ์

half
Het glas is half leeg.

maar
Het huis is klein maar romantisch.

even
Deze mensen zijn verschillend, maar even optimistisch!

weg
Hij draagt de prooi weg.

lang
Ik moest lang in de wachtkamer wachten.

genoeg
Ze wil slapen en heeft genoeg van het lawaai.

daar
Ga daarheen, vraag dan opnieuw.

iets
Ik zie iets interessants!

binnenkort
Hier wordt binnenkort een commercieel gebouw geopend.

beneden
Hij ligt beneden op de vloer.

alleen
Ik geniet van de avond helemaal alleen.
