คำศัพท์
เรียนรู้คำกริยา – ฝรั่งเศส

arbejde
Hun arbejder bedre end en mand.
werken
Ze werkt beter dan een man.

høste
Vi høstede meget vin.
oogsten
We hebben veel wijn geoogst.

dele
Vi skal lære at dele vores rigdom.
delen
We moeten leren onze rijkdom te delen.

male
Jeg har malet et smukt billede til dig!
schilderen
Ik heb een mooi schilderij voor je geschilderd!

kende
Børnene er meget nysgerrige og kender allerede meget.
weten
De kinderen zijn erg nieuwsgierig en weten al veel.

dække
Hun har dækket brødet med ost.
bedekken
Ze heeft het brood met kaas bedekt.

tilføje
Hun tilføjer noget mælk til kaffen.
toevoegen
Ze voegt wat melk toe aan de koffie.

blive blind
Manden med mærkerne er blevet blind.
blind worden
De man met de badges is blind geworden.

forfølge
Cowboysen forfølger hestene.
achtervolgen
De cowboy achtervolgt de paarden.

studere
Pigerne kan godt lide at studere sammen.
studeren
De meisjes studeren graag samen.

skrive
Han skriver et brev.
schrijven
Hij schrijft een brief.
