መዝገበ ቃላት
ግሲታት ተማሃሩ – ሊትዋንያዊ

weggooi
Hy trap op ’n weggegooide piesangskil.
weggooien
Hij stapt op een weggegooide bananenschil.

aktiveer
Die rook het die alarm geaktiveer.
activeren
De rook activeerde het alarm.

sien
Jy kan beter sien met brille.
zien
Je kunt beter zien met een bril.

verander
Baie het verander as gevolg van klimaatsverandering.
veranderen
Veel is veranderd door klimaatverandering.

nodig hê
Jy het ’n domkrag nodig om ’n wiel te verander.
nodig hebben
Je hebt een krik nodig om een band te verwisselen.

proe
Die hoofsjef proe die sop.
proeven
De chef-kok proeft de soep.

bedek
Sy het die brood met kaas bedek.
bedekken
Ze heeft het brood met kaas bedekt.

antwoord
Die student antwoord die vraag.
antwoorden
De student beantwoordt de vraag.

hardloop na
Die moeder hardloop na haar seun.
achterna rennen
De moeder rent achter haar zoon aan.

kyk na
Op vakansie het ek baie besienswaardighede bekyk.
bekijken
Op vakantie heb ik veel bezienswaardigheden bekeken.

skakel af
Sy skakel die alarmklok af.
uitzetten
Ze zet de wekker uit.
