Лексика
Вивчайте дієслова – норвезька

luge ud
Ukrudt skal luges ud.
verwijderen
Onkruid moet verwijderd worden.

lege
Barnet foretrækker at lege alene.
spelen
Het kind speelt liever alleen.

hakke
Til salaten skal du hakke agurken.
snijden
Voor de salade moet je de komkommer snijden.

arbejde sammen
Vi arbejder sammen som et team.
samenwerken
We werken samen als een team.

svømme
Hun svømmer regelmæssigt.
zwemmen
Ze zwemt regelmatig.

gentage
Kan du gentage det?
herhalen
Kun je dat alstublieft herhalen?

komme sammen
Det er dejligt, når to mennesker kommer sammen.
samenkomen
Het is fijn als twee mensen samenkomen.

invitere
Vi inviterer dig til vores nytårsfest.
uitnodigen
Wij nodigen je uit voor ons oudejaarsfeest.

åbne
Pengeskabet kan åbnes med den hemmelige kode.
openen
De kluis kan worden geopend met de geheime code.

holde ud
Hun kan ikke holde ud at høre sangen.
verdragen
Ze kan het zingen niet verdragen.

fjerne
Hvordan kan man fjerne en rødvinplet?
verwijderen
Hoe kan men een rode wijnvlek verwijderen?
